Foto Olivier Middendorp.

Wanstaltige smakgeluiden in een labyrint van vuilnis

In opdracht van De Nationale Opera maakten productiehuis Silbersee en regisseur Nina Spijkers een nieuwe muziektheatervoorstelling voor het Opera Forward Festival: ‘Avventure di anima e di corpo’.

 

Hopen vuilniszakken. Massa’s oude frisdrankblikjes. In de immense studioruimte van Casco (Amsterdam-Noord) scharrelt een tiental wonderlijk uitgedoste musici door een doolhof van afval en instrumentarium.
Neem percussionist Noé Rodrigo Gisbert, met zijn gouden borstplaat en bokkensprongen een homerische oorlogsheld en ondeugende sater-figuur in één. Fluitist Michael Schmid (overhemd met labyrintmotief, ruw behaarde stierenpoten) sluipt dreigend rond als een moderne Minotaurus. Op zijn versterkte basfluit heft hij een voorwereldlijke cantilene van tikkende kleppen en animale briesgeluiden aan.

Avventure di anima e di corpo heet de nieuwe productie die muziektheatergezelschap Silbersee maakte voor het Opera Forward Festival. Indachtig de mythische fabelfiguren op de bühne zou je het een ‘hybride’ voorstelling kunnen noemen; een kruising van György Ligeti’s meesterlijk-absurdistische Aventures/Nouvelles aventures en een gloednieuw companion piece van de Franse componist Raphaël Cendo.
Diens muziek is een knoestige symbiose van akoestische en elektronische klanken op de grens van compositie en improvisatie. Ook hybridisch: de meervoudige rollen van de musici die zingen, instrumenten bespelen, acteren of zelfs dirigeren. Zoals mezzosopraan Francine Vis, die de muzikale leiding voert.

De regie is in handen van Nina Spijkers. Na een aantal spraakmakende theatervoorstellingen bij Toneelschuur Producties maakt ze nu haar operadebuut. Een sprong in het diepe, geeft ze toe: “Dit project staat haaks op wat ik normaal doe. Doorgaans vormt een tekstbron mijn vertrekpunt, maar in Avventure ontbreekt alle taal. Ligeti en Cendo baseren hun vocale partijen op fonetische klanken en nonsens-woorden. Dat maakt beide stukken theatraal gezien vrij abstract.”

Ter compensatie probeert Spijkers haar regie zo concreet mogelijk te houden: “Ik heb een voorstelling willen maken die toegankelijk is voor een breed en jong publiek. De productie staat niet voor niets op het Opera Forward Festival. Elk moment moet in zichzelf helder zijn en iets heel concreets uitdrukken. Dat kunnen de emoties van de karakters zijn maar ook hun onderlinge verhoudingen.”

Tijdens de repetities is al duidelijk zichtbaar hoe Spijkers met louter beeld en lichaamstaal de interactie tussen de karakters haarfijn uitlicht. Hier ontvlamt zangeres Els Mondelaers in een driftige woordenwisseling (”Zuuuut so ggghoh!”). Daar wordt stiekem geroddeld op de maat van opgewonden gehijg.
Of neem die in vodden geklede cellist (Jussi Lehtipuu) die met piepende keelgeluiden en dichtgeknepen neus pisnijdig is over de kennelijk onwelriekende berg troep naast zijn instrument.

“Ik heb een voorstelling willen maken die toegankelijk is voor een breed en jong publiek.”

“Het afvoerputje van de maatschappij”, omschrijft Spijkers de tien karakters die in Avventure di anima e di corpo de bühne bevolken. Gaandeweg de voorstelling raken ze zo geïsoleerd in hun post-apocalyptische vuilnislabyrint dat ze hun menselijke karakter verliezen.
Ook muzikaal gezien beschrijft de voorstelling een proces van ontmenselijking, beaamt Francine Vis. “In Ligeti’s Aventures/Nouvelles aventures staan de menselijke emoties en gedragingen nog centraal, maar in Cendo’s rauwe klankwereld worden de operakarakters gereduceerd tot hun beestachtige oerdriften.”

Spijkers: “Feitelijk verandert elk van de karakters langzaam in zijn grootste angstbeeld, een monsterlijke minotaurus. Dat idee van de hybride vind ik een hele rake metafoor voor de menselijke soort. Enerzijds leeft het dierlijke nog altijd in ons voort, anderzijds worden we steeds meer een cybernetisch wezen, een symbiose van biologie en technologie.”
Dat technologische aspect is duidelijk hoorbaar in de muziek van Cendo, waar akoestische klanken elektronisch worden verwrongen tot oorsplijtende klankerupties en huiveringwekkend gekrijs.

“Ja, ik moest wel even wennen aan die schurende vocale klankwereld van Cendo”, bekent Vis. “Maar inmiddels vind ik het heerlijk om te doen.” Ter illustratie heft ze in het voorcafé van Casco een gierende oerkreet aan waar de Nazgûl uit Lord of the Rings nog een puntje aan kunnen zuigen.

Hoe dat gelijktijdig zingen en dirigeren haar afgaat?
Vis: “Het is een uitdaging, vooral in de muziek van Ligeti. Hij laat je voortdurend balanceren op de grens van wat mogelijk is en schrijft alles zó ontzettend precies uit. Vanaf blad is het al lastig om al die aanwijzingen op te volgen. Wij doen het uit het hoofd, terwijl we bewegen en acteren. Dat maakt het extra spannend.”

Cendo geeft de musici meer ruimte, vertelt ze. “Een deel van zijn partituur bestaat uit grafische tekeningen, die als leidraad dienen voor gezamenlijke improvisaties. We moeten ontzettend goed op elkaar ingespeeld zijn, maar als het lukt levert het geweldige resultaten op.” Getuige die collectieve schranspartij, die ontaardt in een misselijk makende symfonie van slurp-, smak- en slikgeluiden. Wees gewaarschuwd.

NRC Handelsblad 09-03-18

Wanstaltige smakgeluiden in een labyrint van vuilnis