Foto Matthias Baus, DNO.

Gewiekst spel met perspectieven in ‘Les contes d’Hoffmann’

Offenbachs ‘Les contes d’Hoffmann’ is deze weken voor het eerst te zien bij De Nationale Opera. De jonge Duitse regisseur Tobias Kratzer speelt met perspectieven en tijdslagen.

 

Ernst Theodor Hoffmann was een literair romanticus pur sang. Chronisch op drift in de liefde en verslingerd aan de fles stierf hij op amper 46-jarige leeftijd aan een syfilis-infectie. Hij liet een groot aantal korte verhalen na: geniaal-grillig en neigend naar het macabere en groteske.

Voor hun ‘opéra fantastique’ Les contes d’Hoffmann bundelden Jacques Offenbach en zijn librettist Jules Barbier drie van Hoffmanns verhalen tot een muziektheatrale raamvertelling. Ze bombardeerden de schrijver zelf tot hoofdpersonage en laten hem in drie aktes, plus een pro- en epiloog herinneringen ophalen aan voorbije liefdes. Neem de mooie Olympia die uiteindelijk een mechanische pop bleek. Of de listige courtisane Giulietta, die enkel uit was op Hoffmanns spiegelbeeld. Het bevallige meisje Antonia, dat zong zich dood.

Eigenlijk bestaat Les contes d’Hoffmann uit drie opera’s in één. Voor de eerste Hoffmann-productie van De Nationale Opera maakt de jonge Duitse regisseur Tobias Kratzer dat gegeven inzichtelijk met een gigantisch poppenhuis op de bühne. De muren doen dienst als narratieve kaders. Middelpunt is een modern appartement, waar een eigentijdse Hoffmann (knotje, licht denim-overhemd) pils drinkt en coke snuift met zijn artistieke vrienden. In de ruimtes rondom voltrekken zich zijn verhalen-slash-herinneringen, telkens in een andere mise-en-scène.

Kratzer licht de lugubere ondertonen van Hoffmanns oorspronkelijke proza uit met horrorachtige elementen (gezichtsloze poppen, heroïne spuitende zeemeerminnen) en is niet vies van een humoristische knipoog. Zo eindigt Olympia als een op hol geslagen seksrobot, uitgedost met bunny ears.

Bewonderenswaardig is ook hoe Kratzer zijn theatrale concept drie uur lang spannend houdt met een gewiekst spel van perspectieven en tijdslagen. Aanvankelijk zijn fictie (Hoffmanns appartement) en metafictie (zijn verhalen) strikt van elkaar gescheiden, maar al snel beginnen de dimensies in elkaar over te lopen. Personages in verschillende ruimtes raken in dialoog, Hoffmann slaat een symbolisch gat in een tussenmuur en na verloop van tijd staan zijn verhaalkarakters middenin zijn woonkamer te zingen.

Muzikaal gezien vormt de opera een aaneenschakeling van evergreens (de barcarolle, de ballade van Kleinzach) en dramatisch passagewerk dat – toegegeven – niet altijd evenzeer beklijft. Dat de voorstelling muzikaal toch staat als een huis, is te danken aan de uitstekende zangprestaties. Tenor John Osborn overtuigt vocaal én theatraal in de titelrol. Diepe bas Erwin Schrott kruipt met hoor- en zichtbaar genoegen in griezelrollen als die van Lindorf, Docteur Miracle en Capitaine Dapertutto.

Ook de vrouwenrollen zijn sterk bezet, met Irene Roberts als Muze en een zinnelijk vibrerende Christine Rice als Giulietta. Sopraan Nina Minasyan (Olympia) beschikt over een stratosferische hoogte en wekte tijdens haar virtuoze coloraturen de indruk een nachtegaaltje te hebben ingeslikt. Ermonela Jaho (Antonia) beheerst het ingetogen lyrisch werk (prachtige aria’s), maar spat even gemakkelijk van het podium in een hoogst dramatische sterfscène.

Onder leiding van Carlo Rizzi gaf een prima spelend Rotterdams Philharmonisch Orkest elke akte een eigen karakter. Van een speelse zwier in Olympia’s walsjes tot muziektheatrale hoogspanning aan het slot. Jammer dat de staccato articulaties in de massale koorscènes soms maar net binnen Rizzi’s pittige tempi bleven.

****

Offenbach
De Nationale Opera, Rotterdams Philharmonisch Orkest en Koor van DNO o.l.v. Carlo Rizzi.
Gehoord: 03-06, Concertgebouw, Amsterdam

NRC Handelsblad 04-06-18

 

Gewiekst spel met perspectieven in ‘Les contes d’Hoffmann’