Foto Teo Krijgsman

Een muzikale schelmenroman

Componist, klarinettist en improvisator Theo Loevendie (1930) schreef zijn memoires. Het boek leest alsof hij je in zijn Amsterdamse stamkroeg Welling zijn levensverhaal uit de doeken doet.

 

Een armoedige jeugd in de Amsterdamse Kinkerbuurt. Een drinkende vader, een alleenstaande moeder en een stiefpa, wiens onmogelijke gedrag groteske vormen aannam. Eigenlijk was er voor de jonge Theo Loevendie (1930) geen enkele reden om met muziek bezig te zijn.

En toch: onvermoeibaar slenterde ‘Theootje’ in de crisisjaren achter de muziekkorpsen aan en probeerde hij op straat proefondervindelijk de werking van het draaiorgel te doorgronden. Op school verveelde hij zijn klasgenootjes met eigen bewerkingen van kleuterdeuntjes. Meester Können had oor voor het talent van zijn leerling, sleepte hem mee naar orgelconcerten in de Westerkerk en drong aan op pianoles. Eens per week een half uurtje oefenen bij muziekschool Zwaag. Geld voor een eigen instrument was er niet.

In zijn onlangs verschenen memoires herinnert Loevendie zich hoe een van de klavierstukjes grote indruk op hem maakte: „Aus Don Juan von W.A. Mozart”, stond erboven. Wie van de twee de componist was wist ik niet, maar daar kwam ik snel achter.’

Memoires van een componist leest als een schelmenroman, waarin muzikaal bloed (van vaders zijde) kruipt waar het niet gaan kan. Op z’n zeventiende leent Loevendie via een bijbaantje bij de PTT een klarinet bij de Postharmonie. Na een flinke ‘autodidactische worsteling’ blijkt hij aardig op het instrument uit de voeten te kunnen. Al snel lonkt de jazz, vooral de bebop. Een eerste engagement bij nachtclub Trocadero aan het Rembrandtplein eindigt voortijdig. Die ‘rare muziek’ moest hij maar ergens anders gaan spelen, aldus de uitbater.

In het voorjaar van 1953 stort de 22-jarige Loevendie zich in het avontuur. Per trein reist hij naar Istanbul, waar de bevriende trompettist Nedly Elstak een plek in een jazzorkestje heeft weten te regelen. Al in Italië is het reisgeld op, maar dankzij handig bijeengesprokkelde maaltijden, een nacht op een parkbankje en een rendez-vous met een Russische gravin, kijkt Loevendie na een week alsnog uit over de oevers van de Bosporus.

Wanneer hij vier maanden later de boot naar huis pakt, ziet hij op het dek een beeldschone Turkse. Na een aandoenlijk onhandige openingszin (‘The sea is beautiful, isn’t it? You want a cigarette?’) ontspint zich een levendig gesprek over jazz, Turkse volksmuziek en componeerambities. Jale Dedeoğlu zou ruim dertig jaar zijn vrouw zijn. Ze kregen twee dochters, Saadet en Esma.

Boy Edgar
Jazz, volksmuziek en hedendaagse compositie. Het zijn tevens de lijnen waarlangs Loevendies carrière zich van de vanaf de jaren zestig ontvouwt. Na zijn conservatoriumtijd (hoofdvak klarinet bij Ru Otto, compositie bij Ernest Mulder) maakt hij als saxofonist en componist deel uit van de legendarische bigband van Boy Edgar. Ondertussen vormt hij een eigen trio met slagwerker John Engels en contrabassist Maarten Altena, en verwerft hij internationaal bekendheid met onder meer het Theo Loevendie Consort.

Met Scaramuzzia (1968), de Six Turkish Folk Poems (1977) en De nachtegaal (1973; bew. 1979/81) behaalt Loevendie zijn eerste compositorische successen. In 1981 staat hij bovendien aan de wieg van het Nieuw Ensemble, opgericht voor de première van Venus and Adonis.

Een samenwerking met Toneelgroep Centrum (een productie van Euripides’ Bacchanten) blijft steken in ambitieuze plannen, maar wekt wel een muziektheatrale interesse die later haar vruchten af zou werpen in opera’s als Naima (1985), Esmée (1995) en The Rise of Spinoza (2014).

Met dergelijke hoogtepunten als raamwerk laat Loevendie Memoires van een componist breed uitwaaieren. Scherpzinnige beschouwingen over improvisatie, muzikale vorm en de jongste generatie musici worden afgewisseld met sappige anekdotes. Uitweidingen over de Turkse cultuur en exotische muziek gaan gepaard met soms een scherpe sneer naar deze of gene conservatorium- of orkestdirectie.

Hier en daar biedt Memoires van een componist een openhartige inkijk in Loevendies persoonlijke leven als hij schrijft over de handicap van zijn oudste dochter Saadet, de breuk met Jale, en de opbloeiende liefde voor zijn huidige partner Joke Boedels.

Dat het boek leest als een trein is te danken aan Loevendies nuchtere, ongekunstelde verteltrant; alsof hij je in zijn stamkroeg Welling (pal achter het Concertgebouw) zijn levensverhaal uit de doeken doet, onder het genot van een glas wijn.

De opbouw in korte, afwisselende hoofdstukjes zorgt daarbij voor een prettig leesritme, al kun je je storen aan onnodige overlappingen en herhalingen. Zo vliegt De Nachtegaal, met inbegrip van bewerkingen, een keer of vier voorbij. Loevendies breuk met uitgeverij DoNeMus en de daaruit voortkomende oprichting van het ludiek-activistische Componisten Crisis Centrum worden dubbelop tot in detail beschreven.

Loevendies humoristische knipogen maken echter veel goed. Neem die keer dat hij in de VARA-kantine een kroket wilde bestellen, zonder broodje. Kantinejuffrouw: ‘We verkopen alleen een broodje kroket, mijnheer.’ Loevendie: ‘O, geeft u mij dan maar een kroket met broodje en dan gooi ik het broodje weg.’ Kantinejuffrouw: ‘Mijnheer, wat u ermee doet is mijn zaak niet, maar ik moet u nu eenmaal ook het broodje verkopen.’ Loevendie: ‘Goed mevrouw, een broodje kroket graag.’

Uiteindelijk ging het feest niet door: de broodjes waren op.

****

Theo Loevendie: Memoires van een componist.
Prometheus, 288 blz. €19,99

NRC Handelsblad 31-05-18

 

Een muzikale schelmenroman